| < 2-58 |
|
2-60 > | ||||||||||||||||||||||||||||
| _______ | _______ | |||||||||||||||||||||||||||||
| ______ |
______ |
|||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||
|
Religie lijkt niet langer taboe in de GGZ. In de jaren tachtig vielen er vooral pleidooien voor meer aandacht voor religie en zingeving te beluisteren. De laatste jaren worden steeds meer initiatieven ontplooid om concrete kennis te vergaren en professionele handelwijzen te ontwikkelen. In Leeuwarden werd op 24 november 1998 een studiemiddag georganiseerd onder de titel: ' Wat bent u? Over de aandacht voor de levensbeschouwing van cliënten, met name tijdens de intake'. Op 11 december 1998 werd in Utrecht het congres 'Psychiatrie en Religie II' gehouden, een vervolg op de drukbezochte gelijknamige eerste bijeenkomst op 12 december 1997 in Ede. Op het voorjaarscongres van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie van 29-31 maart 2000 werd een symposium gehouden met als titel 'Religie in het pakket?'. En in Groningen belegde de Dienst Geestelijke Verzorging van het Academisch Ziekenhuis samen met de Faculteit der Godgeleerdheid en Godsdienstwetenschap op 16 oktober 2000 een studiedag over de samenwerking tussen geestelijk verzorgers en behandelaars in de GGZ onder de titel ' Het wordt dringen tussen de oren'. Een aantal van de lezingen op die bijeenkomsten is in deze bundel opgenomen. De godsdienstpsycholoog T.H. Zock wijst in haar inleiding op een bron van problemen in de samenwerking tussen therapeutische behandelaars (in het bijzonder psychiaters) en geestelijk verzorgers: zij spreken verschillende talen, die samenhangen met hun respectievelijk natuur- dan wel menswetenschappelijke opleiding. F. van Ree en H.M. van Praag blikken terug op hun carrière als psychiater. In hun autobiografisch getinte bijdragen presenteren zij hun visie op de relatie tussen religie en psychiatrie. Van Praag bespreekt wat de invloed van zijn jood-zijn is op zijn werk als psychiater. Van Ree, agnost en humanist, benadrukt het belang van aandacht voor levensbeschouwing in de behandeling, en laat zien hoe hijzelf daarmee omging. De psychiaters G. Glas en P.J. Verhagen zetten uiteen hoe zij in hun dagelijkse praktijk omgaan met problemen rond religie, in het bijzonder bij de intake. Glas gaat in op het belang van een religieuze anamnese en presenteert een model daartoe. Verhagen analyseert hoe de religieuze achtergrond van zowel cliënt als behandelaar in de aanmeldingsfase een rol kan spelen, en bespreekt het diagnostisch label voor religieuze problematiek in DSM-IV. De godsdienstpsychologen M.H.F. van Uden & J.Z.T. Pieper ten slotte wijzen op de groeiende behoefte aan bijscholing in de GGZ op het gebied van religie en levensbeschouwing. Zij presenteren een probleemgestuurde onderwijsmodule klinische godsdienstpsychologie. Bezinning op de eigen levensbeschouwelijke achtergrond, theoretische en methodische onderbouwing van het beroepsmatig handelen en verdere scholing inzake het religieuze: drie zaken die nodig zijn voor een professionele omgang met religie in de psychiatrie. Deze bundel wil daaraan een bijdrage leveren.
|
||||||||||||||||||||||||||||||
| < 2-58 |
|
2-60 > | ||||||||||||||||||||||||||||